Uit: Nederlands Dagblad 20 maart 2010 door Ronald van Schouwen Mensen vragen zich soms af of geloofsbelijdenissen, hoe waardevol ook, niet gemist kunnen worden. Er is immers een Bijbel? Het antwoord moet zijn: kennelijk niet, want de Bijbel zelf wil ze niet missen! Ook daarin klinken geloofsbelijdenissen.
Eerder deze maand kwam uit een onderzoek van de IKON naar voren dat twee derde van de predikanten in de Protestantse Kerk niet gelooft in de uitverkiezing, zoals deze wordt beschreven in de Dordtse Leerregels. Ook ik kan die niet in zijn geheel onderschrijven, omdat Bijbelse verkiezing niet in de eerste plaats op een individu is gericht (zie Efeziërs 1:4). Ik kan verwerping dan ook niet als een soort verkiezing met omgekeerd voorteken zien. Of dit nu betekent dat het remonstrantse standpunt geheel juist was, is een andere zaak.
Aanleiding voor het onderzoek was dat dit jaar wordt herdacht dat Arminius vierhonderd jaar geleden is gestorven. De Dordtse Leerregels wilden terecht - anders dan de remonstranten - duidelijk maken dat God verkiest opdat er geloof is, niet omdat er geloof is. En even terecht bedoelden de Dordtse Leerregels uit te stralen dat het heil een geschenk van God is en van Hem alleen (al vergaten de opstellers wellicht dat aanpakken van een geschenk iets anders is dan er zelf wat aan toevoegen).
Gezag
Ik ben me ervan bewust dat het bovenstaande past bij de mening van veel predikanten dat geloofsbelijdenissen menselijke geschriften zijn die ter discussie kunnen worden gesteld. Toch is deze uitspraak me te ongenuanceerd. Immers, ook in woorden van belijden kunnen mensen door de Heilige Geest geleid zijn. En wanneer een belijdende tekst aantoonbaar de Schrift naspreekt of er onontkoombare conclusies uit trekt, dan zie ik niet in waarom deze tekst op zijn eigen manier niet gezaghebbend zou zijn. Als bijvoorbeeld de Geloofsbelijdenis van Nicea, die op alle kanten van de geloofskern betrekking heeft, zijn gezag steeds opnieuw zou moeten veroveren, dan zouden we tot de jongste dag fundamenteel moeten twijfelen aan de kerninhoud van ons geloof.
Toch vragen mensen zich wellicht af of geloofsbelijdenissen, hoe waardevol ook, niet gemist kunnen worden, gezien het feit dat er een Bijbel is. Het antwoord moet zijn: kennelijk niet, want de Bijbel zelf wil ze niet missen! Zo vinden we daar de geloofsbelijdenis 'Jezus is Heer' (Romeinen 10:9) of het zogeheten Christuslied (Filippenzen 2:5-11).
Wederliefde
Dat belijden al in de Schrift zelf voorkomt, heeft in diepste wezen te maken met de wederliefde tot God; een wederliefde die zich uit in het met graagte 'vatten' van het heil dat God aanbiedt, ook vaak als een samenvatten van de aspecten en de gang van dat heil. Belijden is zo als het ware het inhoudelijk geloofsantwoord op het heil.
De Geloofsbelijdenis van Nicea is ontstaan uit de historische noodzaak om de goddelijkheid van Jezus Christus, die eigenlijk al in het 'Jezus is Heer' besloten ligt, te ontvouwen. Deze belijdenis heeft echter ook met een treffende en wijze kortheid het verzoeningswerk van Jezus Christus genoemd, en de eenheid van Jezus naar Zijn goddelijkheid met de Vader uitgesproken, en (meer impliciet) van de Heilige Geest met beiden. Als geheel vormt 'Nicea' een geloofsfundament dat zelf weer Bijbels is gefundeerd. Het is dan ook enerzijds geen wonder, maar anderzijds wondermooi dat rooms-katholiek en protestant deze belijdenis ook in het heetst van hun vroegere strijd zijn blijven delen.
Geestverwanten
De ironie van de huidige situatie is dat er een proces op gang lijkt te komen waarin zij die binnen beide nominaties vasthouden aan 'Nicea' en daarmee aan het geloof van de kerk van alle tijden en plaatsen, bezig zijn elkaar met vreugde als geestverwanten te ontdekken, en zich tegelijk niet geestverwant voelen met mensen die onder het mom van 'ruimte' in feite geloofsinhoudelijke oeverloosheid bedrijven of voorstaan (denken we maar aan ds. Hendrikse of aan het Dominicaans studiecentrum).
Of dit op termijn gevolgen zal hebben voor het 'kerkelijk landschap' waag ik niet te voorspellen. Als ideaal zie ik echter een kerk van mensen die als vanzelf, als hun gezamenlijke levensovertuiging, de kern van het christelijk geloof met elkaar delen, een kerk van mensen die daarnaast ruimte voor verschil hebben, maar dus toch 'belijnd' geloven; een kerk die idealiter 'gewoon' christelijke kerk zou kunnen heten, maar in de gegeven realiteit wellicht 'Niceens-orthodox'; een kerk die de kern van haar geloof niet meer hoeft te toetsen, maar belìjdt.
Ronald van Schouwen is theoloog en lid van de PKN.
Toegift: een redactionele opinie (leuke argumentatie).
Koert van Bekkum, een van de adjunct-hoofdredacteuren van deze krant, promoveerde er tot doctor in de theologie op een proefschrift over de beschrijving in het Bijbelboek Jozua van de Israëlitische verovering van Kanaän. Een kop boven een interview met hem in deze krant ('Niet alles in Jozua is echt zo gebeurd') kon misverstand wekken en versterkte de kritiek: Is het gezag van de Heilige Schrift in 'Kampen' (en in afgeleide zin: bij de redactie van het Nederlands Dagblad) nog wel veilig?Juist als gelovige ‘open’ de Bijbel onderzoeken
Aantasting van de betrouwbaarheid van de Bijbel heeft in de geschiedenis een spoor van verwoesting achtergelaten. Dus is er alle reden de kritiek serieus onder ogen te zien.
Nu heeft Van Bekkum er geen enkele twijfel over laten bestaan dat de Heilige Schrift het betrouwbare Woord van God is. Maar dat staat niet haaks op een onbevangen benadering van de tekst ervan en van mogelijke problemen waarvoor een eerlijke lezing stelt. Die moeten niet vanuit een bepaalde visie op de Schrift ('van kaft tot kaft' of dergelijke) bij voorbaat gladgestreken of weggeredeneerd worden. Dit uitgangspunt is, ook in 'Kampen', niet nieuw, maar nieuw is wel dat de promovendus het om zo te zeggen 'in praktijk heeft gebracht' bij de lezing van een concreet gedeelte.
Van Bekkums conclusie is nu dat de betrokken gebeurtenissen 'gewoon historisch' zijn en dus hebben plaatsgevonden. Maar dat betekent niet per se dat alles wat beschreven wordt letterlijk genomen behoeft te worden. Soms bedient de schrijver van het Bijbelboek zich van bepaalde literaire technieken en soms overdrijft hij bijvoorbeeld bewust. Het proefschrift doet dan 'voorstellen' hoe men die passages zou kunnen lezen. Ook als het gaat om het bekende 'zonnewonder'. Volgens Van Bekkum werden de hemellichamen in de tijd van Jozua gezien als 'legeraanvoerders van God', wiens hulp Jozua biddend inriep.
God heeft zich in zijn Woord telkens aangepast aan tijd, cultuur, bevattingsvermogen en belevingswereld van de mensen tot wie Hij zijn boodschap liet uitgaan. Calvijn zei in dat verband zelfs dat God zich zo bediende van 'brabbeltaal'. Dat is geen foefje om wonderen weg te redeneren - God kan álles -, maar wel een blijk van eerlijk omgaan met de tekst.
Deze gelovige en onbevangen benadering van de Schrift, die ook op deze plek meermalen is bepleit, heeft Van Bekkum zo toegepast, dat de universiteit hem met een 'cum laude' bijzondere lof toezwaaide. Dat is een goede aanbeveling om dit werkstuk niet bij voorbaat verdacht te maken, maar het te laten functioneren zoals het bedoeld is: als een poging de Heilige Schrift steeds beter te leren begrijpen.
van onze redactie kerk // Nederlands Dagblad
Theoloog Koert van Bekkum promoveerde gisteren ‘met lof’ op een studie over het Bijbelboek Jozua. Hij kreeg onder meer vragen over het stilstaan van de zon, en over zijn eigen geloofsvooroordeel.
KAMPEN – ‘Wel of niet echt gebeurd?’ Er zijn en worden hevige discussies gevoerd over die vraag, als het om oudtestamentische Bijbelverhalen gaat.
Het boek Jozua vertelt dat de zon stilstond op een dag dat het volk Israël een beslissende veldslag moest leveren. Was dat nu wel of geen astronomisch wonder, was een van de vragen die theoloog Koert van Bekkum kreeg voorgelegd.
Hij promoveerde gisteren aan de vrijgemaakt-gereformeerde Theologische Universiteit in Kampen, op een proefschrift over de verovering door Israël van het land Kanaän.
In een interview in het Nederlands Dagblad zette Van Bekkum er vorige week vraagtekens bij, of de zon letterlijk heeft stilgestaan – wat in het huidige wereldbeeld zou betekenen dat de aarde enige tijd ophield met draaien.
Kosmisch wonder
,,Sommigen zeggen: zo’n wonder is niet reëel, dus moet je dat anders lezen. Maar dat is mijn aanvliegroute niet’’, verklaarde hij gisteren, toen hij zijn proefschrift verdedigde. ,,Ik ga uit van de tekst, welke verteltechnieken er worden gebruikt, en wat die tekst over het verleden wil zeggen.
Als de uitkomst daarvan zou zijn dat er die dag een kosmisch wonder is gebeurd, zou ik dat best kunnen geloven, al zou ik het moeilijk vinden.’’
Vanuit de tekst beargumenteerde Van Bekkum dat de tekst dat niet per se wil zeggen. Het verhaal spreekt over zon én maan die stilstaan, en even later alleen over de zon, die de volle dag aan de hemel stond. ,,Zon en maan worden als personen voorgesteld.
Jozua spreekt ze zelf aan; het is geen gebed tot God of Hij ze wil laten stilstaan. Voor omringende volken waren zon en maan goden; voor Israël waren het schepselen van God, behorend tot zijn hemelse hofhouding.
Jozua vraagt ze met het volk Israël mee te vechten’’, aldus de theoloog.
Met lof
Van Bekkum ging ook in op vragen van de Groningse oudtestamenticus Ed Noort, over zijn ‘geloofsvooroordeel’ waarmee hij zijn proefschrift schreef. ,,In het verhaal uit Jozua komt God voor als wetgever, vervuller van beloften en ook als direct handelend met en voor zijn volk. Waar is God in uw visie op hoe de Bijbel hier over het verleden vertelt?’’
Van Bekkum signaleerde dat de Bijbelwetenschap de laatste twee eeuwen sterk leunt op de – buiten- Bijbelse – geschiedenis en archeologie. In de wetenschap zou een sprekende en handelende God geen factor mogen zijn. ,,Maar je kunt God niet buiten zo’n studie houden’’, verklaarde hij zijn eigen uitgangspunt.
,,Alleen geloof ik dat alle kennis van God komt; dus kun je rustig en open ook alle gegevens vanuit de geschiedenis bekijken.’’
De senaat van de Kamper universiteit kende Van Bekkum – in het dagelijks leven adjunct-hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad – de doctorstitel ‘cum laude’ (met lof) toe. Het was voor het eerst in ruim twintig jaar dat aan de vrijgemaakt-gereformeerde universiteit een promovendus dit predikaat kreeg.
0 reacties:
Een reactie plaatsen